Vier jongens, vier illusies. Sinds afgelopen zomer hebben wij net als vele anderen tegenwoordig de golfclubs in de hand genomen, op weg naar eeuwige roem in de Ryder cup of andere golfevenementen. En terecht, wie niet droomt die leeft niet en dat GVB (golfvaardigheidsbewijs) werd immers op ons dooie akkertje gehaald. De ‘pro’ zoals de trainer zo mooi heet in golfjargon zegt dat we talent hebben en hij móet er toch verstand van hebben. Alle kans dus om door te stoten in deze rising sport, meneer Woods: wij komen eraan!

De wekker gaat, ik schrik wakker en vraag me af wie mij in hemelsnaam op dit absurde tijdstip durft te bellen. Nog half slapend pak ik mijn telefoon en besef me dat de nacht voorbij is, er moet gegolfd worden. Tenminste, als het niet regent, golfen in de regen is als een kroeg zonder bier: dat is gewoon niet leuk. En dingen die niet leuk zijn doe je niet. Het weer is goed en we besluiten te gaan, anderhalf uur later zijn we bij de golfbaan.

We besluiten er een fourball van te maken wat betekent dat er in teams van twee tegen elkaar gestreden wordt. De precieze telling gaat eerlijk gezegd langs mij heen maar het blijkt ongemeen spannend te worden naarmate we de baan vorderen. Fantastische ballen worden afgewisseld met de meest onwerkelijke missers, veelal gevolgd door een kreet vol misbaar. “Dat kan ik toch gewoon?” Stamelt Maurits na de derde gemiste bal op rij. De volgende vier zijn overigens beauties en worden verwelkomd alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

“Dat is eigenlijk het punt he, wij kunnen het niveau van jongens als Luiten en Mcilroy prima benaderen, maar we houden het gewoon niet vol!”. Thijs ziet het goed en tegelijkertijd ook weer helemaal niet. Golf is een spel van geduld, een spel waarin consistentie een stuk belangrijker is dan die ene magistrale bal waar je ’s avonds van droomt. Ik trek de conclusie voor mezelf maar vast, het geduld om 18 holes lang (ongeveer vier uur) geconcentreerd te blijven ontbeer ik, die Masters op Augusta laat ik aan de grote jongens.

Terug naar de wedstrijd, want die blijft door onze consistente wisselvalligheid ontzettend spannend. Met 1 down (1 hole achterstand) gaan Maurits en ik de laatste hole in en schromen geen enkel middel om de toch de overwinning binnen te slepen. Bij de essentiële tweede bal van Pieter pak ik mijn telefoon en stuur ik binnen 10 seconden dertien berichtjes waardoor zijn broek één grote trilboor wordt. Hij raakt een boom, wij winnen de hole: top! Toch nog een gelijkspel.
December, een periode van grote twijfels bij het gros van de Nederlandse studenten. Feesten, studeren, feesten, of toch studeren? Je hoort de hersens van studentenjongens en meisjes kraken als er weer eens een voorstel voor een mooie avond de stad in komt. Waar je het beste merkt dat de tentamens er weer aan komen en de verslagen weer ingeleverd moeten worden? De Ub, absoluut. De normaal meer als een bedevaartsoord aandoende plek wordt rond de jaarwisseling bevolkt door hordes studenten die nog even snel hun tentamentje willen ‘binnenkoppen’. De Universiteitsbibliotheek wordt drukker en drukker en conversaties gaan niet meer over het aantal vrouwen dat je hebt versierd maar over de datum van het eerste tentamen en ‘hoeveel je nog wel moet doen’. Ub-en, het is weer zover.
 
‘Psst, gozer, zulle we effe een bakkie doen? Ik trek het echt effe slecht’. Dinsdagochtend half 12, de twee jongens naast mij zijn net een kwartier geleden gaan zitten en hebben zojuist al hun boeken op tafel gelegd. Wat volgt zijn drie diepe zuchten, vijf keer neus ophalen en ik denk dat de telefoon al zo’n acht keer uit de broekzak gekomen is. Misschien heeft hij gelijk en is een kleine pauze na zo’n matig begin wel de juiste keuze, even uit het ritme en gewoon weer lekker opnieuw beginnen. Ik hoor het allemaal met een grote glimlach aan maar doe in de tussentijd dus ook helemaal niets. Zo makkelijk is het allemaal nog niet in de Ub.
 
Drie kwartier later komen de jongens terug, het is alsof ze een wilde stapavond beleefd hebben die nog eens uitgebreid besproken moet worden. ‘Jo Rutger, zag je die chick aan de andere kant van de tafel? Die had inkijk hé! Daar wil ik wel een keer een beschuitje mee verkruimelen..’ Ik moet lachen, en besluit nu zelf maar pauze te nemen. Om te studeren moet je immers goed eten en drinken zei mijn moeder altijd, en met deze gasten naast me wordt het sowieso een lastig verhaal. Ik zoek een vriend op en we besluiten te gaan lunchen, hij zat er ook wel aardig doorheen.
 
Even naar de wc, nouja even, dit keer voor de grote boodschap. Ik ben altijd erg content als dit moment weer is aangebroken. De wc’s van de Ub zijn namelijk volgekalkt met de grootst mogelijke onzin die fantastisch is om te lezen. Geen krant nodig in de Ub, de lectuur wordt verzorgd door andere studenten die de moeite hebben genomen een stift of mes (er worden inderdaad teksten gesneden, vraag niet waarom) mee te nemen. Mijn favoriete tekst: ‘Bij brand, kijk omhoog’. Wanneer je vervolgens omhoog kijkt staat er: ‘bij brand, mongool’. Simpel, maar ik blijf er om lachen.
 
Ja, beste mensen, noem het maar een luizenbestaan dat studentenleven. Zelfs op de plekken waar je niet anders kan dan studeren wordt je nog afgeleid door dingen die je ‘s ochtends niet voor mogelijk had gehouden. Het is een survival of the fittest die vaak alleen wordt gewonnen als je na het avondeten nog terugkomt om tot sluitingstijd te blijven zitten. Dan zijn de dagjesmensen weg om misschien toch maar weer een klein biertje te gaan drinken. Maar wacht maar tot het januari wordt…
 
Het is inmiddels alweer enkele uren geleden, de supporters zijn naar huis en de spelers gaan langzamerhand richting hun bed. Wat overblijft is een heroïsche herinnering aan een meer dan mooie tennisavond. Niet alleen door de wedstrijden waar vooral Del Potro tegen Ferrer mij voorbij het puntje van mijn stoel deed kruipen maar deze avond zal wat mij betreft de geschiedenis in gaan als de avond van de supporters. Want zo is het, de altijd zo keurig geachte tennissport had vandaag niet te maken met toeschouwers of publiek, maar werd opgeschrikt door heuse tennisfans.

Het is 0-0, eerste set, nog geen punt is er gespeeld bij de partij tussen Spanjaard David Ferrer en Juan Martín del Potro. Met de beroemde woorden ‘quiet please’ probeert de scheidsrechter het uitzinnige publiek stil te krijgen maar helaas voor hem, duizenden winnen het nog altijd van één. De spelers beginnen dan maar, ondanks het lawaai, er moet immers toch gespeeld worden. Naarmate de partij vordert en er blijkt dat de twee mannen ook nog eens onvoorstelbaar aan elkaar gewaagd zijn ontstaat een vocale vechtpartij tussen twee kampen waar menig voetbalwedstrijd nog een hele dikke punt aan kan zuigen. 

Tennis 2.0. is het. Ver verwijderd van de nette sport die in het verleden alleen nog was weggelegd voor de beterbedeelden van onze maatschappij. De sport begint zich te ontwikkelen als een échte publiekssport waarbij juichen na een fout van de tegenstander niet langer onsportief is, waarbij een gemiste eerste opslag tot vreugde leidt en vooral: een sport waarbij het mogelijk is om ook tijdens het spel je favoriete speler aan te moedigen. Dit laatste was lange tijd ondenkbaar. Als de tennisser zijn ballen van de ballenjongens of meisjes had ontvangen werd je geacht stil te zijn, en na de rally een discreet applausje te laten horen, ongeacht de winnaar van het punt.

Maar de wereld verandert en daarmee ook het tennis. Noem het de verharding van de samenleving, noem het de teloorgang van traditie, maar ik noem het graag de trend waarin fanatisme en supporterschap het wint van stoffige regelgeving waardoor de sport enkel aan amusementswaarde wint. Fantastisch vind ik het om Argentijnen met hun shirt om hun hoofd geknoopt liederen te horen zingen, prachtig is het als de speler met armgebaren het publiek verder ophitst als een voetballer zou doen bij een juist verworven hoekschop. Ferrer en del Potro waren vandaag de hoofdpersonen van een nieuw boek waarin de schrijver net de eerste pagina af heeft, en niet van plan is het bij die ene pagina te laten. Wie de schrijver is? Dat zijn wij, de supporters op de tribune die ervoor zorgen dat de spelers weten waar ze het voor doen. Het is een cliché, maar een cliché dat nooit vergeten moet worden: sport is emotie, en dat zal hopelijk altijd blijven.
Door Ischa Gerrits “Er is geen sprake van racisme, maar misschien is een woord of gebaar niet altijd even correct. De aangedane speler moet beseffen dat het een spel is en moet de hand schudden”. Het waren deze woorden van Fifa voorzitter Sepp Blatter die bij vele voetballiefhebbers verkeerd zijn gevallen. En terecht, want bij ongeveer iedere wedstrijd die op televisie te volgen is worden er anti-racisme clips getoond of is het woord ‘respect’ vaak met hoofdletters aanwezig. Dat de voorzitter van deze organisatie vervolgens deze woorden in de mond durft te nemen is bespottelijk en getuigt van weinig gevoel voor spelende sentimenten. Lees verder